Hoe ver valt de appel van de boom? Rechercheurs die met zware en georganiseerde criminaliteit van doen hebben, wijzen er dikwijls op dat bepaalde families al decennialang bij hen bekend zijn. Klopt dat beeld? En zo ja, hoe moet dat dan worden verklaard? EMMA-partner Hans Moors en Toine Spapens (hoogleraar Tilburg University) schreven, in opdracht van het Onderzoeksprogramma Politie & Wetenschap, een ontluisterend boek over zeven criminele familienetwerken in Noord-Brabant.

Elk van deze families heeft minstens één kopstuk in de zware en georganiseerde criminaliteit voortgebracht. En ja, de kans blijkt groot dat mannen én vrouwen in deze families van generatie op generatie een strafblad hebben. In dit boek vertellen we hoe de familieverbanden in elkaar steken, in welke mate intergenerationele overdracht zich voordoet en hoe overdrachtsmechanismen werken. De overdracht van crimineel leiderschap is trouwens minder vanzelfsprekend. Het runnen van een criminele groep vraagt kennis en kunde die niet zomaar doorgegeven kan worden. Bovendien blijft zware misdaad een ‘mannending’: de dochters van de ‘grote jongens’ nemen hun leidende positie niet over, ook al hebben ze zelf een stevig palmares opgebouwd.

Subcultuur
Georganiseerde misdaadfamilies zijn een hardnekkig probleem. De families leven in een gesloten wereld, een lokale subcultuur waarin ze steeds terugvallen op oude vrienden, betrouwbare familie én nieuwe liefdes. Daarom is het zo belangrijk om te kijken naar hoe Noord-Brabant zich sinds de Tweede Wereldoorlog maatschappelijk en politiek-bestuurlijk heeft ontwikkeld. Sterker nog, op het niveau van verhalen en beelden, in hoe we over Brabant en criminaliteit praten, diep in het geschiedbeeld geworteld, gaat het nog veel verder terug.

Een historisch perspectief dus, niet alleen van de families, maar ook van ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor Noord-Brabant en mogelijk van invloed zijn op criminele gelegenheidsstructuren. De activiteiten van de zeven families weerspiegelen de ontwikkeling van de zware misdaad in de regio. Van oudsher waren ze bezig met allerlei vermogenscriminaliteit. In de jaren tachtig breidden ze uit met drugshandel en in de jaren negentig met wietteelt en XTC-productie. Vooral die laatstgenoemde markt opende voor de criminele leiders in de zeven familienetwerken de poort naar internationaal succes. Ze werden wereldwijde groothandelaars in XTC-pillen en lieten die ook in hun eigen laboratoria of in opdracht produceren. De jongste generatie ‘misdaadondernemers’ richt zich meer op wietteelt.

De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten

Intimidatie
De families hebben door de jaren heen geleerd hoe ze de overheid van zich af moeten houden. Of hoe ze instanties juist voor hun karretje kunnen spannen. Dat gaat meestal gepaard met intimidatie. In hun directe woonomgeving profiteren ze van een zwijgcultuur, maar vaak genieten de criminele kopstukken er ook status. De gesloten subcultuur is belangrijk omdat die de vertrouwde contacten levert die nodig zijn voor succesvolle criminele activiteiten. Het is ook de plek waar de partners en vrienden worden gezocht en gevonden. Brandschoon zijn die zelden. Zo leggen de vrouwen een opvallende voorkeur aan de dag voor mannen die al een fors strafblad hebben opgebouwd.

Dit soort criminele families zijn voor de samenleving een zware kostenpost. Niet alleen vanwege de misdaden die ze plegen en de schade die dat veroorzaakt. Maar ook omdat de overheid er een hoop werk aan heeft, vaak al jarenlang. Het doorbreken van overdrachtspatronen is erg lastig. Alleen repressief optreden werkt niet. Om deze families niet te laten gedijen is een bundeling van krachten van vele overheidsinstanties en private partijen nodig. Ook gewone burgers moeten weerbaarder worden.

De overheid zit ook simpelweg met het probleem dat veel van hun mensen niet als criminelen kunnen denken

Zwijgen
En al die partijen zouden, wat mij betreft, serieuzer moeten nadenken over twee dingen. Aan de ene kant de kracht van ‘het andere verhaal’. Geen conflict-narratief dat de stellingen verhardt, maar een vorm van verbale de-escalatie, zoals Sara Cobb betoogt in haar studie uit 2013 Speaking of Violence. The Politics and Poetics of Narrative in Conflict Resolution. Juist die mensen in de buurten en wijken die wat te vertellen hebben en zwijgen, die middenin die subcultuur zitten, er de slechte kanten van meemaken en de stress van ‘de boeven’ kennen – die mensen zouden geholpen moeten worden om verhaallijnen te verleggen. Zij kunnen laten zien – en niet eens zonder begrip – dat het boevenverhaal toch echt een boevenverhaal is.

Aan de andere kant zit de overheid ook simpelweg met het probleem dat veel van hun mensen niet als criminelen kunnen denken. Dat schrijf ik expres wat provocerend, maar het is wel waar. In de gemiddelde beleidsnotitie en het geijkte plan van aanpak zit weinig focus op gedrag. Hoe je buigt en wringt aan mensen, die anderen, in de ‘onderhandelingshuishouding’ die het bestrijden van georganiseerde misdaad in een rechtsstaat welbeschouwd en goeddeels toch is.

Hoe dan ook, het is duidelijk dat simpele oplossingen niet bestaan. Vermoedelijk juist daarom groeit de aandacht voor de criminologische en historische achtergronden van de lokale inbedding van georganiseerde criminaliteit. Wat decennia heeft kunnen groeien, is niet in een vloek en een zucht voorbij.

H. Moors & T. Spapens (2017). Criminele families in Noord-Brabant. Een verkenning van generatie-effecten in de georganiseerde misdaad. Amsterdam: Reed Business.

Download hier het persbericht.
Download hier het Ebook.
Download hier het PDF.

 

Geschreven door

Hans Moors

partner - filosoof en historicus - scherp en encyclopedisch - verbindend

Inspiratie over Veiligheid en Criminaliteit?

Ontvang een paar keer per jaar een inzicht, publicatie, of tip voor een bijeenkomst.